Barbara Baarsma beschreef onlangs in het FD treffend “het land van wachtrijen”: voor huurwoningen, ggz-behandelingen, specialistische zorg, WIA-keuringen, kinderopvang, tbs-plaatsen. We staan in de file, wachten op de trein, op een vergunning, op een netaansluiting. Als verklaring wijst zij op uitgestelde politieke keuzes over schaarste en jarenlang onderinvesteren.
De meeste onderdelen van de wet treden naar verwachting op 1 januari 2028 in werking. De exacte datum wordt nog vastgelegd in een Koninklijk Besluit. Vooral de afschaffing van nulurencontracten heeft grote gevolgen voor organisaties. Medewerkers die nu flexibel worden ingezet op basis van een oproepcontract, krijgen straks een bandbreedtecontract met een minimum en maximum aantal uren. Daarmee verschuift een deel van de huidige flexibele schil naar de vaste formatie. De uitdaging ligt daardoor niet alleen meer in het maken van een goed rooster, maar vooral in het bepalen van de juiste formatie. Organisaties die hier nu al op anticiperen, voorkomen straks onnodige kosten en behouden tegelijkertijd voldoende flexibiliteit.
Die diagnose klopt. Maar ze verklaart niet waarom deze keuzes steeds opnieuw worden uitgesteld. Daarvoor moeten we een laag dieper. De grondoorzaak is dat Nederland een kostengedreven land is, en nauwelijks een tijdgedreven land.
Dat zie je direct terug in de bestuurskamer. Daar gaat het over begrotingen, winst- en verliesrekeningen, en de opdracht om tien procent op de overhead te bezuinigen. Doorlooptijden, levertijden en afwijkingen ten opzichte van afgesproken normen komen zelden op de agenda. Wat niet gemeten wordt, wordt ook niet gestuurd — en dus ontstaat de wachtrij vanzelf, als sluitpost van een systeem dat ergens anders op is ingericht.
Bij de overheid is het patroon niet anders. Doelstellingen worden vertaald in euro’s, veel minder in termen van de tijd waarbinnen ze gerealiseerd moeten zijn. En waar dat wél gebeurt, ontbreekt vaak de bestuurlijke discipline om ook daadwerkelijk op die deadlines te sturen.
Het venijnige is dat deze kostenfixatie zichzelf ondermijnt: ze leidt juist tot hogere kosten. Twee voorbeelden maken dat concreet. In de zorg vergroot een wachtrij voor een operatieve ingreep het risico dat een patiënt intussen verder achteruitgaat en in een zwaarder, duurder traject terechtkomt. Was wachttijd – dus tijdgedrevenheid – het uitgangspunt geweest, dan was de behandelcapaciteit vermoedelijk proactief en goedkoper georganiseerd.
Het tweede voorbeeld is actueler: de netcongestie. Stel dat de norm landelijk zou zijn dat een aansluiting op het energienet niet langer dan één week mag duren. Dan is de benodigde capaciteit een rekensom: hoeveel megawatt moet worden opgewekt, hoe wordt dat getransporteerd, wat kost dat. Die kosten kunnen dan helder worden toebedeeld en begroot – in plaats van dat schaarste later, ad hoc en duur, tot noodgrepen dwingt. De wachtrij lost zich vanzelf op zodra tijd het ordenend principe wordt in plaats van de sluitpost.
Daarom pleit ik voor een economie die tijd net zo serieus neemt als geld – misschien zelfs serieuzer. Een economie waarin langetermijnplanning structureel op de bestuurstafel ligt, niet als bijproduct van de begroting maar als leidend principe ervan. Dat voorkomt verspilling van kosten én van tijd. En het levert iets op waar de samenleving reikhalzend naar uitkijkt: rust en voorspelbaarheid.
Vanaf 2028 verandert de manier waarop organisaties flexibel personeel kunnen inzetten ingrijpend. Vooral de afschaffing van nulurencontracten vraagt om een andere kijk op formatie, capaciteitsplanning en Workforce Management. In dit blog lees je wat er verandert, welke impact dat heeft en hoe je je hier tijdig op voorbereidt.
Levertijd verschuift razendsnel van “morgen in huis” naar levering binnen enkele uren, en wordt daarmee een steeds belangrijkere factor in de keuze van klanten. Niet snelheid op zich, maar de juiste timing bepaalt of een organisatie het verschil maakt. Bedrijven die tijd strategisch inzetten, creëren daarmee een nieuw concurrentievoordeel.
De onzichtbare kosten van een gebrek aan tijdintelligentie ontstaan wanneer tijd geen expliciete rol krijgt in de aansturing van organisaties. Kleine verstoringen in overleg, afstemming en systemen stapelen zich op tot structureel tijdverlies, met meer werkdruk en minder focus als gevolg. Door tijd te zien als strategische KPI ontstaat ruimte voor rust, samenhang en flow in het dagelijks werk.